|














|
|

De bolletjestrui
Peter Slabbynck |
Stijn, de ik-figuur in het boek, die dit
verhaal dus vanuit zijn perspectief vertelt, wordt tot zijn verrassing
door Maarten uitgenodigd om bij hem te komen spelen. Hoewel hij
eigenlijk niet veel met hem op heeft - Maarten heeft het altijd over
oorlog - gaat hij op zijn aanbod in, zodra hij hoort dat Maarten 'achter
de berg' woont. Stijn droomt er namelijk van om wielrenner te worden en
het bergklassement te winnen
|
Het neusje van Paulien
Peter Slabbynck |
Tja, Paulien ruikt misschien wel een
beetje naar vis. Normaal toch als je ouders een viswinkel hebben die De
Kleine Zeemeermin heet? Bert, de zoon van de slager, is trouwens de
laatste die haar onder haar neus mag wrijven dat ze stinkt. Maar als het
erop aankomt, verstaan Paulien en Bert elkaar. Bijvoorbeeld als ze Nemo,
de verdwenen kater, proberen terug te vinden. Meestal zeggen kinderen
gewoon wat ze denken. Ze sparen elkaar daarbij niet. Het neusje van
Paulien vat de ongedwongen omgang tussen kinderen subliem in woorden. |
|
  Jot Klaas Verplancke
|
Beroemd zijn. Voor veel kinderen en evenveel volwassenen is het een
droom. Je zou er de gekste dingen voor doen. Om een ster, een held te
zijn voor één dag of liefst langer. |
 Wortels Klaas Verplancke |
Ries is een heuvelwachter. Hij is altijd op zijn heuvel en gaat er nooit
weg. Elke dag wacht hij op iets. Iets dat nooit komt. Op een morgen
vindt hij een zaadje. Ries stopt het in de grond, op de top van zijn
heuvel. Ries wacht. Nieuwsgierig. Geduldig. Want er is tijd, veel tijd,
de tijd die wachten heet. Hij staat er ineens, een boom van een kerel.
Van dan af moeten Ries en Kerel alles delen: de heuvel, de lucht, de
stilte... en vooral de tijd. |
|